Ps.145

Een loflied van David.

U, mijn God en koning, wil ik roemen,
uw naam prijzen tot in eeuwigheid.

Elke dag opnieuw wil ik u prijzen,
uw naam loven tot in eeuwigheid:

‘Groot is de HEER, hem komt alle lof toe,
zijn grootheid is niet te doorgronden.’

Laat geslacht na geslacht van uw schepping verhalen,
uw machtige daden verkondigen.

Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit,
ook ik wil uw wonderen bekendmaken.

Laten zij getuigen van uw geduchte daden,
ook ik wil van uw grootheid vertellen.

Laten zij de roem van uw goedheid verbreiden,
uw gerechtigheid luid bezingen:

‘Genadig en liefdevol is de HEER,
hij blijft geduldig en groot is zijn trouw.

Goed is de HEER voor alles en allen,
hij ontfermt zich over heel zijn schepping.’

Laten al uw schepselen u loven, HEER,
en uw getrouwen u prijzen.

Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap,
spreken over uw machtige werken,

aan de stervelingen uw machtige daden verkondigen,
de glorie en de glans van uw koningschap:

‘Uw koningschap omspant de eeuwen,
uw heerschappij omvat alle geslachten.’

‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen,
wie gebukt gaat richt hij op.

Allen zien hoopvol naar u uit,
u geeft voedsel, op de juiste tijd.

Gul is uw hand geopend,
u vervult het verlangen van alles wat leeft.

Rechtvaardig is de HEER in alles wat hij doet,
zijn schepselen blijft hij trouw.

Allen die hem aanroepen is de HEER nabij,
die hem roepen in vast vertrouwen.

Hij vervult het verlangen van wie hem eren,
hij hoort hun klacht en komt te hulp.

De HEER waakt over wie hem liefhebben,
maar wie hem afwijzen, vaagt hij weg.’

Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,
en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen,
tot in eeuwigheid.

De kruiswoorden

De 7 uitspraken van Jezus aan het kruis worden de kruiswoorden genoemd. Ik heb het nooit geweten. Hieronder in volgorde.

1. Lucas 23:34 Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’

2. Lucas 23:43 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’

3. Johannes 19:26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ 27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

4. Matteüs 27:46 Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

5. Johannes 19:28 Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’

6. Johannes 19:30 Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

7. Lucas 23:46 En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit.

Jak.3:1-11

Broeders en zusters, u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat.
En hoe vaak struikelen we niet allemaal! Wie nooit struikelt in het spreken kan zich een volmaakt mens noemen, die in staat is om zelfs het hele lichaam in toom te houden.
Paarden doen we een bit in de mond om ze te laten gehoorzamen, en zo kunnen we hun hele lijf sturen.
En kijk eens hoe reusachtige schepen, voortgestuwd door hevige wind, met een klein roer in de richting worden gestuurd die de stuurman bepaalt.
Zo is ook de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt.
Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in brand steekt. Want hij besmet het hele lichaam, hij steekt het rad van het leven in brand, met vuur uit de Gehenna.
De mens heeft alle mogelijke soorten dieren weten te temmen, wilde dieren, vogels, kruipende dieren en zeedieren,
maar er is geen mens die de tong kan temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn.
Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld.
Uit dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters?
Laat een bron soms uit eenzelfde ader zoet en bitter water opwellen?

Deut.9:3

Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat het de HEER, uw God, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd kunnen uitroeien, zoals de HEER u heeft beloofd.

Rom.8:9-11

Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe.
Als Christus echter in u leeft, bent u door de zonde weliswaar sterfelijk, maar de Geest schenkt u leven, omdat u door God als rechtvaardigen bent aangenomen.
Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft.

Heb.1:3-8

In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld, hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit,
ver verheven boven de engelen omdat hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij.
Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’? Of: ‘Ik zal een vader voor hem zijn, en hij voor mij een zoon’?
Maar wanneer hij de eerstgeborene de wereld weer binnenleidt, zegt hij: ‘Laten al Gods engelen hem eer bewijzen.’
Over de engelen zegt hij: ‘Die zijn engelen inzet als windvlagen, en zijn dienaren als een vlammend vuur.’
Maar tegen de Zoon zegt hij:
‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid,
en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap.

Ps.56

Voor de koorleider. Op de wijs van Een roerloze duif in de verte. Van David, een stil gebed, toen de Filistijnen hem in Gat hadden gegrepen.

Wees mij genadig, God, want ze bedreigen mij,
de hele dag bestoken en bestrijden ze mij.

Mijn tegenstanders bedreigen mij, heel de dag,
en bestrijden mij vanuit hun hoge vesting.

In mijn bangste uur vertrouw ik op u.

Op God, wiens woord ik prijs,
op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een sterveling mij aandoen?

Hun woorden krenken mij de hele dag,
tegen mij zijn hun boze plannen gericht.

Ze wachten hun kans af
en bespieden mijn gangen,
loerend op mijn leven.

Gaan zij hun straf ontlopen?
Toon uw toorn, God, en sla dat volk neer!

Mijn omzwervingen hebt u opgetekend,
vang mijn tranen op in uw kruik.
Staat het niet alles in uw boek?

In het uur dat ik u aanroep wijken mijn vijanden,
want dit weet ik: God staat mij terzijde.

Op God, wiens woord ik prijs,
op de HEER, wiens woord ik prijs,

op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Aan u, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik u betalen,

u hebt mijn leven aan de dood ontrukt,
mijn voet voor struikelen behoed.
Nu kan ik wandelen onder Gods hoede
in het licht van het leven.

Spr.16:1-9

Een mens stelt zich veel vragen,
de HEER geeft het antwoord.

Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de juiste weg,
de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.

Vertrouw bij je werk op de HEER,
en je plannen zullen slagen.

De HEER heeft alles wat hij heeft gemaakt zijn doel gegeven,
de goddelozen heeft hij voor de ondergang bestemd.

De HEER verafschuwt hooghartige mensen,
ze worden hoe dan ook gestraft.

Zonden worden toegedekt door liefde en trouw,
wie ontzag heeft voor de HEER mijdt het kwaad.

Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt,
doet hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten.

Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven,
dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht.

Een mens stippelt zijn weg uit,
de HEER bepaalt de richting die hij gaat.

Jes.41:10-13

Wees niet bang, want ik ben bij je,
vrees niet, want ik ben je God.
Ik zal je sterken, ik zal je helpen,
je steunen met mijn onoverwinnelijke rechterhand.

Allen die zich fel tegen je keerden
zullen gehoond worden en te schande staan.
Zij die jou bestreden
worden minder dan niets en gaan te gronde.

Zij die jou onderdrukten
zijn onvindbaar, je zoekt ze vergeefs.
De vijanden die jou bevochten
zullen verdwijnen in het niets.

Want ik ben de HEER, je God,
ik neem je bij je rechterhand en zeg je:
Wees niet bang, ik zal je helpen.

Rom.1

De brief aan de Romeinen

Van Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen tot apostel en uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen,
dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften is beloofd:
het evangelie over zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David,
aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus, onze Heer, opstond uit de dood.
Hij heeft mij de genade geschonken apostel te zijn, opdat ik omwille van hem aan alle volken gehoorzaamheid en geloof zou verkondigen –
ook aan u, die geroepen bent door Jezus Christus.
Aan allen in Rome, geliefden van God, geroepen om zijn heiligen te zijn. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.

Allereerst dank ik door Jezus Christus mijn God voor u allen, omdat er in de hele wereld over uw geloof gesproken wordt.
God, die ik door de verkondiging van het evangelie over zijn Zoon vol overgave dien, is mijn getuige dat ik u onophoudelijk in mijn gebeden noem.
En altijd vraag ik dan of God mij de gelegenheid wil geven eindelijk naar u toe te komen.
Want ik verlang ernaar u te ontmoeten en u te laten delen in een geestelijke gave, om u te sterken,
of liever, om door elkaar bemoedigd te worden: ik door uw geloof en u door het mijne.
U moest eens weten, broeders en zusters, hoe vaak ik me heb voorgenomen naar u toe te komen, om net als bij de andere volken ook bij u vruchtbaar werk te doen. Maar ik was tot nu toe steeds verhinderd.
Ik sta ten dienste van alle volken: van beschaafde en niet beschaafde, geletterde en ongeletterde,
en daarom is het mijn wens het evangelie ook aan u in Rome te verkondigen.
God veroordeelt kwaad en onrecht

Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken.
In het evangelie openbaart zich dat God enkel en alleen wie gelooft als rechtvaardige aanneemt, zoals ook geschreven staat: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’
En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen.
Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt.
Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn,
want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en de dank gebracht die hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd.
Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas
en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren.
Daarom heeft God hen in hun lage begeerten uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam onteren.
Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de schepper, die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen.
Daarom heeft God hen uitgeleverd aan onterende verlangens. De vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke,
en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand. Mannen plegen ontucht met mannen; zo worden ze ervoor gestraft dat ze van God zijn afgedwaald.
Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen, heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid en doen ze wat verwerpelijk is.
Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht. Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig. Ze roddelen
en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, trots en verwaand. Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen ontzag voor hun ouders,
zijn kortzichtig en trouweloos, zonder liefde en onbarmhartig.
En hoewel ze het vonnis van God kennen en weten dat mensen die dergelijke dingen doen de dood verdienen, doen ze dit alles toch. Sterker nog, ze juichen het zelfs toe dat anderen het ook doen.

Mat.18:1-4

Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’
Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer
en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan.
Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel.