2Kor.6:11-7:1

Wij zeggen u dit alles ronduit, Korintiërs, want wij hebben u in ons hart gesloten.
Niet wij schieten in onze genegenheid voor u tekort, maar u in uw genegenheid voor ons.
Nu dan, ik vraag u alsof u mijn eigen kinderen bent: sluit op uw beurt ons in uw hart.
Waarschuwingen

Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen. Wat is de verwantschap tussen gerechtigheid en wetteloosheid? Wat heeft licht met duisternis te maken?
Waarin lijken Christus en Beliar op elkaar? Wat hebben een gelovige en een ongelovige gemeen?
Wat heeft de tempel van God met afgoden te maken? Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk.
Daarom zegt de Heer: Ga weg bij de ongelovigen, zonder je van hen af en raak niets aan dat onrein is. Dan zal ik jullie aannemen
en jullie vader zijn, en jullie mijn zonen en dochters – zegt de almachtige Heer.’

Omdat ons deze beloften zijn gegeven, geliefde broeders en zusters, moeten we onszelf reinigen van alle lichamelijke en geestelijke smetten en vol ontzag voor God ons hele leven heiligen.

Re.14:3

Maar zijn ouders zeiden: ‘Waarom zoek je een bruid bij die onbesneden Filistijnen? Er is onder de dochters van je verwanten toch wel een vrouw voor je te vinden, of in elk geval onder de meisjes van ons eigen volk.’ ‘Nee, vader,’ antwoordde Simson. ‘Dit meisje moet u voor me vragen, want zij bevalt me.’

Ezra.9

De schuld van het volk

Toen deze zaken afgehandeld waren, kwamen de leiders naar mij toe en zeiden: ‘Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afzijdig gehouden van de bevolking van het land en ook niet van de gruwelijke gebruiken van de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten.
Ze hebben namelijk meisjes van die volken tot vrouw genomen, voor zichzelf en voor hun zonen, en zo hebben zij, het heilige zaad, zich vermengd met de bevolking van het land. De leiders en bestuurders gingen in deze ontrouw voorop.’

Zodra ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleren en mijn mantel. Ik trok het haar uit mijn hoofd en mijn baard, en ging zitten, verbijsterd.
En allen die vanwege de ontrouw van de ballingen de dreigende woorden van de God van Israël vreesden, kwamen bij mij. Zo bleef ik verbijsterd zitten tot het avondoffer.
Toen stond ik op, beëindigde mijn boetedoening, en met gescheurde kleren en mantel viel ik op mijn knieën en spreidde mijn handen uit naar de HEER, mijn God.
Ik zei: ‘Mijn God, ik schaam me, mijn God, ik ben te beschaamd om mijn gezicht naar u op te heffen, want onze zonden reiken tot boven ons hoofd en onze schuld is zo hoog als de hemel.
Vanaf de dagen van onze voorouders tot aan deze dag zijn wij zeer schuldig tegenover u, en vanwege onze zonden zijn wij, onze koningen, onze priesters, overgeleverd aan de macht van de koningen van andere landen, aan geweld, aan gevangenschap, aan plundering, en aan openlijke schande, zoals nu.
En toch heeft de HEER, onze God, onlangs zijn erbarmen getoond door een deel van ons volk te laten ontkomen, en door ons een houvast te geven in zijn heilige plaats. Onze God heeft onze ogen doen oplichten en ons in onze slavernij weer wat levensmoed gegeven.
Want wij zijn slaven, en in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten. Hij heeft de koningen van Perzië gunstig gestemd jegens ons, om ons weer levensmoed te geven opdat wij de tempel van onze God kunnen laten herrijzen en hem uit de puinhopen herstellen, en om voor ons te zijn als een veilige muur in Juda en in Jeruzalem.
En wat, onze God, was daarop ons antwoord? Veronachtzaamd hebben wij uw geboden,
die u ons gegeven hebt bij monde van uw dienaren de profeten, die zeiden: “Het land dat jullie binnengaan en in bezit nemen is een verontreinigd land, bezoedeld door de bevolking van het land met haar gruwelijke gebruiken. Zij hebben het met hun onreinheid gevuld, van het ene einde tot het andere.
Geef daarom jullie dochters niet aan hun zonen, en neem hun dochters niet voor jullie zonen tot vrouw. Draag nooit bij aan hun voorspoed en geluk. Dan zullen jullie sterk zijn en het goede van het land eten, en het voor altijd voor jullie kinderen in bezit nemen.”
Na alles wat ons is overkomen vanwege onze slechte daden, vanwege onze grote schuld, nu u, onze God, ons minder hebt gestraft dan wij verdienden en u er zelfs voor gezorgd hebt dat er zo velen van ons overgebleven zijn –
zouden wij nu opnieuw uw geboden met voeten treden door huwelijken aan te gaan met deze volken die zulke gruwelijke gebruiken kennen? Zou u dan niet zodanig vertoornd zijn dat u ons zou vernietigen, en niemand het zou overleven, niemand zou ontkomen?
HEER, God van Israël, u bent rechtvaardig, want wij zijn ontkomen, wij zijn overgebleven tot op deze dag. Schuldig staan wij hier voor u – hoe kunnen we u zo onder ogen komen?’

Ezra.10

Uitheemse vrouwen met hun kinderen weggestuurd

En terwijl Ezra bad en schuld beleed, en zich wenend neerwierp voor Gods tempel, kwam er een zeer grote menigte Israëlitische mannen en vrouwen en kinderen om hem heen staan. Zij huilden bitter.
Toen nam Sechanja, de zoon van Jechiël, een van de zonen van Elam, het woord. Hij zei tegen Ezra: ‘Wij zijn onze God ontrouw geweest, wij zijn getrouwd met uitheemse vrouwen, afkomstig uit de bevolking van het land. En toch, ondanks dat, is er hoop voor Israël.
Laat ons daarom ten overstaan van onze God de verplichting aangaan dat wij al die vrouwen en alle kinderen die zij hebben gebaard wegsturen, zoals u, heer, ons dat aanraadt, en op aanraden van hen die ontzag hebben voor de geboden van onze God, opdat de wet wordt nageleefd.
Sta op, Ezra, het is aan u dit af te handelen. Wij staan achter u. Treed krachtig op!’
Ezra stond op om de leiders van de priesters, van de Levieten en van heel Israël te laten zweren dat te doen waartoe Sechanja opriep, en zij zwoeren deze eed.

Ezra ging weg bij Gods tempel en trok zich terug in het vertrek van Jochanan, de zoon van Eljasib. Hij at geen brood en dronk geen water, want hij rouwde om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen.

Men liet een oproep uitgaan naar alle teruggekeerde ballingen in Juda en Jeruzalem om zich in Jeruzalem te verzamelen.
Op voorstel van de leiders en de oudsten zou iedereen die niet binnen drie dagen verscheen uitgesloten worden van de gemeenschap van de ballingen, en zouden zijn goederen verbeurdverklaard worden.
Binnen drie dagen verzamelden alle mannen van Juda en Benjamin zich dan ook in Jeruzalem, en heel het volk ging op het plein voor de tempel van God zitten; ze rilden van angst voor wat er zou gebeuren, en vanwege de stortbuien. Het was de twintigste dag van de negende maand.

Ezra, de priester, stond op en zei: ‘U bent ontrouw geweest, u bent met uitheemse vrouwen getrouwd en daardoor hebt u de schuld van Israël vergroot.
Leg daarom een bekentenis af voor de HEER, de God van uw voorouders, en doe wat hij van u vraagt: houd u afzijdig van de bevolking van het land en van uitheemse vrouwen.’
De hele gemeenschap antwoordde luid: ‘We zullen doen wat u ons gezegd hebt.
Maar wij, het volk, wij zijn met velen, en het is regentijd. We kunnen niet lang buiten blijven staan; in één of twee dagen hebben we deze zaak niet afgehandeld, want we hebben op grote schaal fouten begaan.
Laten onze leiders daarom namens de hele gemeenschap optreden, en laat iedereen die in een van onze steden met een uitheemse vrouw is getrouwd op een vastgestelde tijd hierheen komen, samen met de oudsten en de rechters van die stad, zodat we de brandende toorn van onze God hierover Noot hierover – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘zolang deze zaak duurt’. van ons kunnen afwenden.’
Alleen Jonatan, de zoon van Asaël, en Jachzeja, de zoon van Tikwa, verzetten zich hiertegen. Ze werden gesteund door Mesullam en de Leviet Sabbetai.
De andere teruggekeerde ballingen wilden wel doen wat was voorgesteld. Ezra wees een aantal mannen aan, per familie een familiehoofd, van wie de namen werden genoteerd en die de zaak moesten onderzoeken. Noot onderzoeken – Volgens de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘van Darius’. Zij hielden de eerste zitting op de eerste dag van de tiende maand,
en op de eerste dag van de eerste maand sloten ze het onderzoek af naar alle mannen die met uitheemse vrouwen getrouwd waren.

De priesters die met uitheemse vrouwen waren getrouwd, waren:

Uit de familie van Jesua, de zoon van Josadak, en uit die van zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.
Zij gaven hun hand erop dat ze hun vrouwen zouden wegsturen, en ze offerden een ram uit hun kudde als hersteloffer voor hun schuld.

Uit de familie van Immer: Chanani en Zebadja.

Uit de familie van Charim: Maäseja, Elia, Semaja, Jechiël en Uzzia.

Uit de familie van Paschur: Eljoënai, Maäseja, Jismaël, Netanel, Jozabad en Elasa.

Van de Levieten: Jozabad, Simi, Kelaja , Petachja, Jehuda en Eliëzer.

Van de tempelzangers: Eljasib.

Van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri.

Van het volk:
Uit de familie van Paros: Ramja, Jizzia, Malkia, Miamin, Elazar, Malkia en Benaja.

Uit de familie van Elam: Mattanja, Zecharja, Jechiël, Abdi, Jeremot en Elia.

Uit de familie van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, Jeremot, Zabad en Aziza.

Uit de familie van Bebai: Jochanan, Chananja, Zabbai en Atlai.

Uit de familie van Bani: Mesullam, Malluch, Adaja, Jasub, Seal en Jeramot.

Uit de familie van Pachat-Moab: Adna, Kelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Besaleël, Binnuï en Manasse.

Uit de familie van Charim: Eliëzer, Jissia, Malkia, Semaja, Simeon,
Benjamin, Malluch en Semarja.

Uit de familie van Chasum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse en Simi.

Uit de familie van Bani: Maädai, Amram, Uel,
Benaja, Bedeja, Keluhu,
Wanja, Meremot, Eljasib,
Mattanja, Mattenai, Jaäsai,
Bani, Binnuï, Simi,
Selemja, Natan, Adaja,
Machnadbai, Sasai, Sarai,
Azarel, Selemja, Semarja,
Sallum, Amarja en Josef.

Uit de familie van Nebo: Jeïël, Mattitja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joël en Benaja.

Ieder van hen was met een uitheemse vrouw getrouwd, en sommigen hadden bij die vrouw kinderen gekregen.